Module 4 van 6

Veiligheid, Beveiliging & Privacy

4.1 Poortwachters

Activiteitstype Gedeelde discussie - Visuele classificatie - Persoonlijke reflectie

Duur 30 minuten

Groepering Hele klas / tweetallen / individueel

Beschrijving

Leerlingen verkennen het verschil tussen openbare en privéruimtes en informatie via een begeleide discussie en visuele voorbeelden. Met herkenbare alledaagse situaties oefenen ze met het classificeren van wat meestal openbaar of privé is en denken ze na over het idee dat mensen zelf kunnen kiezen welke informatie ze privé houden of delen. De activiteit bouwt aan een vroege bewustwording van privacy, grenzen en persoonlijke verantwoordelijkheid.

Leerdoelen

Aan het einde van deze activiteit kunnen leerlingen:

  • Onderscheid maken tussen openbare en privéruimtes en informatie
  • Uitleggen waarom sommige dingen privé moeten blijven
  • Herkennen dat mensen kunnen kiezen wat ze delen
  • Oefenen met respectvolle discussie en persoonlijke besluitvorming
Materialen
  • Visuele hulpmiddelen of flitskaarten met voorbeelden van plekken en informatie (Zie Bijlage A)
  • Werkblad voor leerlingen met selectievakjes voor Openbaar / Privé (Zie Bijlage B)
  • Potloden of kleurpotloden
Benodigdheden
  • Whiteboard of posterbord
  • Stiften
  • Fijn om te hebben: Beamer of scherm voor afbeeldingen

WERKWIJZE

OPENING 
  1. Bereid visuele hulpmiddelen of dia's voor met voorbeelden zoals een park, bus, toilet, auto, oogkleur, wachtwoord, bank-pincode.
  2. Maak het bord klaar met twee kopjes: OPENBAAR en PRIVÉ.
  3. Leg de werkbladen en schrijfmateriaal klaar zodat ze makkelijk uitgedeeld kunnen worden.
VOORAFGAANDE ACTIVITEIT

5 minuten

  1. Vraag aan de leerlingen: “Wat betekent ‘openbaar’?” en “Wat betekent ‘privé’?”
  2. Accepteer meerdere antwoorden en verbeter nog niet.
  3. Leg uit dat ze vandaag naar alledaagse voorbeelden gaan kijken en samen beslissen.

Doel in de woorden van de leerling

  •  “Beoordelen wat openbaar is, wat privé is en wat ik wil delen.”
ACTIVITEIT

20 minuten

Opzet

  1. Leg uit dat sommige dingen meestal openbaar zijn, sommige meestal privé, en sommige afhankelijk zijn van keuze.
  2. Introduceer het idee dat er niet altijd één juist antwoord is.

Voorbeeld geven

  1. Laat één voorbeeld zien, zoals een park.
  2. Denk hardop: “Veel mensen kunnen daarheen gaan en het zien, dus zeggen we meestal dat dit openbaar is.”
  3. Laat een tweede voorbeeld zien, zoals een wachtwoord.
  4. Denk hardop: “Dit hoort alleen bij één persoon, dus houden we dit meestal privé.”

Uitvoeren

  1. Toon één visueel voorbeeld tegelijk.
  2. Vraag de leerlingen om te stemmen of hun hand op te steken voor ‘openbaar’ of ‘privé’.
  3. Plaats het voorbeeld onder het bijpassende kopje op het bord.
  4. Stel vervolgvragen zoals “Waarom?” of “Kan dit ooit veranderen?”
  5. Gebruik voorbeelden zoals park, bus, toilet, auto, oogkleur, wachtwoord, bank-pincode.

Controlepunt

  1. Vraag de leerlingen om het verschil tussen openbaar en privé in hun eigen woorden uit te leggen.
  2. Luister naar begrip in plaats van gememoriseerde definities.

Reflectie

  • Vraag: “Is oogkleur altijd privé?”
  • Vraag: “Kan iets privé zijn, zelfs als anderen het kunnen zien?”
  • Leid de leerlingen naar het idee dat mensen zelf kiezen welke informatie ze delen.
VERVOLG

5 minuten

  1. Deel het werkblad met de selectievakjes uit.
  2. Leerlingen beslissen per item of ze het openbaar of privé zouden houden.
  3. Benadruk dat de antwoorden voor iedereen verschillend kunnen zijn.
AFSLUITEN
  1. Verzamel de werkbladen en materialen.
  2. Vat het belangrijkste idee samen: “Jij bepaalt welke informatie je deelt.”
  3. Laatste boodschap aan de leerlingen: “Slim omgaan met privacy helpt je veilig te blijven.”

NOTITIES

Klassenmanagement
  • Moedig respectvol luisteren en verschillende meningen aan
  • Vermijd het vragen naar gevoelige persoonlijke informatie van leerlingen
Uitbreidingen & extra activiteiten
  • Voeg digitale voorbeelden toe zoals gebruikersnamen of foto's
  • Maak een klassenposter met regels voor het delen van informatie
  • Kijk naar superhelden en schurken - waarom beschermen ze hun identiteit?
  • Maak een diagram van informatie die elke leerling wil delen of privé wil houden
Differentiatie
  • Jongere leerlingen: gebruik alleen plaatsgebonden voorbeelden
  • Oudere leerlingen: ga naar moeilijkere onderwerpen (DNA, gezichtsherkenning, GPS-locatie, naam)
  • NT2/Toegankelijkheid: visuele ondersteuning, gebaren, eenvoudige taal
  • Veiligheid: vraag niet naar echte wachtwoorden of persoonlijke gegevens

Bijlagen

4.2 Afluisteren

Activiteitstype Simulatiespel - Begeleide discussie - Ervaringsgericht leren

Duur 40-50 minuten

Groepering Kleine teams, klassikale discussie

Beschrijving

Leerlingen onderzoeken hoe informatie verandert afhankelijk van wie het doorgeeft en wie het mag horen. Door een reeks korte boodschappen-doorgeefspelletjes met wisselende regels ervaren leerlingen vertrouwen, fouten en opzettelijke verstoring uit de eerste hand. De reflectie richt zich op hoe boodschappen kunnen veranderen, uitlekken of beschermd worden, en wie zou moeten bepalen wie toegang krijgt tot informatie.

Leerdoelen

Aan het einde van deze activiteit zullen leerlingen:

  • Ervaren hoe informatie kan veranderen wanneer deze tussen mensen wordt doorgegeven
  • Het verschil herkennen tussen fouten en opzettelijke veranderingen
  • Begrijpen dat niet iedereen elke boodschap hoeft te horen
  • Beginnen kritisch na te denken over vertrouwen, privacy en controle over informatie
Materialen
  • Voorbereide korte en lange boodschapkaartjes (voor docent) (Zie Bijlage A)
  • Papier en potlood voor de variant met rennende dictee
  • Handig om te hebben: Eenvoudig symbool- of substitutiecodeblad voor optioneel vergrendelde boodschap (Zie Bijlage B)
Benodigdheden
  • Open klaslokaalruimte om te bewegen
  • Whiteboard of posterbord voor reflectienotities
  • Handig om te hebben: Timer

PROCEDURE

OPENING 
  1. Bereid van tevoren eenvoudige en complexe boodschappen voor.
  2. Bepaal teams van 6–8 leerlingen.
  3. Maak ruimte zodat leerlingen in een rij kunnen staan of veilig kunnen bewegen.
VOORAFGAANDE ACTIVITEIT

5 minuten

  1. Vraag aan de leerlingen of ze ooit het spelletje 'telefoon' hebben gespeeld.
  2. Vraag of de boodschap altijd hetzelfde blijft.
  3. Leg uit dat ze vandaag gaan testen wie er te vertrouwen is met een boodschap.
  4. Vermijd het introduceren van technische of abstracte termen.

Doel in de woorden van de leerling

  •  “Kijken wat er gebeurt met een boodschap als verschillende mensen deze doorgeven.”
ACTIVITEIT

30-35 minuten

Opzet

  1. Verdeel de klas in kleine teams.
  2. Leg uit dat elk team meerdere korte rondes speelt met dezelfde structuur maar verschillende regels.
  3. Benadruk dat niemand in de problemen komt door fouten.

Voorbeeld geven

  1. Demonstreer de fluisterregels met een heel kort voorbeeld.
  2. Benadruk de regels duidelijk: alleen fluisteren, niet herhalen, geen fouten verbeteren.

Uitvoeren

Ronde 1 – Makkelijke Boodschap (Vertrouwde Ketting)

  1. Fluister een heel eenvoudige zin naar de eerste leerling.
  2. Leerlingen geven de boodschap door door te fluisteren in de rij.
  3. De laatste leerling zegt de boodschap hardop.
  4. Controlepunt: Was de boodschap juist, heeft iemand het expres veranderd, voelde het makkelijk om de groep te vertrouwen?

Ronde 2 – Moeilijke Boodschap (Complexe Informatie)

  1. Gebruik dezelfde opstelling met een langere, meer precieze zin.
  2. Voer de fluisterketting opnieuw uit.
  3. De laatste leerling zegt de boodschap hardop.
  4. Controlepunt: Wat is er veranderd, waar ging het mis, deed iemand expres iets fout of was het gewoon lastig?

Ronde 3 – Verborgen Regel (Opzettelijke Verandering)

  1. Gebruik dezelfde complexe boodschap.
  2. Vertel stiekem één leerling in het midden dat hij of zij één woord mag veranderen.
  3. Maak niet bekend dat deze regel bestaat.
  4. Voer de fluisterketting uit.
  5. Controlepunt: Voelde dit anders dan fouten, hoe konden we merken dat er iets mis was, wat voelde oneerlijk?

Optionele Variant – Lopend Dictee (Controle versus Vertrouwen)

Ronde 4 – Vertrouwde Loper

  1. Leg de boodschap op papier aan de andere kant van het lokaal.
  2. Eén leerling rent om het te lezen en komt terug om het aan de schrijver te vertellen.
  3. De schrijver noteert de boodschap.
  4. Controlepunt: Was dit duidelijker dan fluisteren en waarom?

Ronde 5 – Onvertrouwde Ruimte

  1. Voeg een luisteraar toe langs het pad van de loper.
  2. De luisteraar mag luisteren maar mag de boodschap niet zien.
  3. Controlepunt: Wie heeft iets geleerd wat hij of zij niet had mogen weten en was de boodschap nog steeds veilig?

Optionele Laatste Wending – Gesloten Boodschap

  1. Herhaal het lopend dictee met de boodschap geschreven in een eenvoudige symboolcode (Zie Bijlage B).
  2. Vraag de leerlingen te observeren wie het kan begrijpen.
  3. Controlepunt: Wie kan het lezen en wie hoort het maar leert niets?

Reflectie

  1. Vraag wie alles zou moeten horen.
  2. Vraag wie niets zou moeten horen.
  3. Vraag wie zou moeten beslissen.
  4. Laat leerlingen het probleem in hun eigen woorden benoemen.
NAZORG

5-10 minuten

  1. Herhaal dat boodschappen kunnen veranderen, uitlekken of aangepast worden.
  2. Benadruk dat vertrouwen afhangt van regels en grenzen.
  3. Verbind met eerdere lessen over openbare versus privé-informatie.
AFSLUITEN

5 minuten

  1. Bedank de leerlingen voor hun eerlijke deelname.
  2. Zet het klaslokaal weer in de oorspronkelijke opstelling.
  3. Laatste boodschap aan de leerlingen: Voorzichtig omgaan met informatie helpt mensen te beschermen.

NOTITIES

Klassenmanagement
  • Normaliseer fouten en emotionele reacties terwijl je rustig de controle behoudt.
  • Beschuldig of onthul de geheime regel-overtreder niet, tenzij leerlingen hier expliciet om vragen.
Uitbreidingen & Opvulactiviteiten
  • Schrijf een klassenregel voor het beschermen van berichten of ontwerp het spel opnieuw om het eerlijker te maken.
Differentiatie
  • Jongere leerlingen: kortere berichten en minder rondes.
  • NT2/Toegankelijkheid: visuele aanwijzingen, rustiger tempo, buddy-ondersteuning.
  • Veiligheid: gecontroleerde beweging en duidelijke fluisterregels.

Bijlagen

4.3 Cypherpunks schrijven code

Activiteitstype Knutselopdracht - Individuele decodeeractiviteit - Begeleide oefening

Duur 45-60 minuten

Groepering Individueel werk met klassikale demonstratie

Beschrijving

Leerlingen maken kennis met het idee van codes als een manier om informatie te verbergen en te beschermen. Met een praktische knutselopdracht bouwen ze een eenvoudige cijferwiel en gebruiken ze deze om Bitcoin-gerelateerde woorden te coderen en te decoderen. De activiteit combineert fijne motoriek, logisch denken en vroege cryptografische concepten, terwijl nieuwe terminologie op een speelse en concrete manier wordt versterkt.

Leerdoelen

Aan het einde van deze activiteit kunnen leerlingen:

  • Begrijpen wat coderen en decoderen betekent; herkennen dat het veranderen van een code het resultaat verandert; een cijferwiel gebruiken om eenvoudige woorden te coderen en te decoderen; geselecteerde Bitcoin-woorden correct coderen en decoderen.
Materialen
  • Afgedrukte sjablonen van het cijferwiel met binnen- en buitenringen van het alfabet (Zie Bijlage A)
  • Afgedrukte werkbladen met gecodeerde Bitcoin-woorden (Zie Bijlage B)
  • Potloden, kleurpotloden of stiften
  • Handig om te hebben: Vooraf gemaakt cijferwiel voor demonstratie, splitpennen of paperfasteners om de wielen vast te maken, extra oefenwerkbladen
Benodigdheden
  • Schaar
  • Whiteboard of posterbord
  • Handig om te hebben: Demonstratie met beamer, linkshandige schaar

WERKWIJZE

OPENING 

Voorbereiding docent

  1. Print en bereid de sjablonen van het cijferwiel en de werkbladen voor.
  2. Knip één groot cijferwiel voor demonstratie uit of maak een visuele versie voor op het bord.
  3. Zorg dat scharen en splitpennen veilig worden uitgedeeld.

VOORAFGAANDE ACTIVITEIT

5 minuten

  1. Vraag aan de leerlingen of ze weten wat een geheime code is.
  2. Vraag waar ze eerder codes hebben gezien, zoals in spelletjes, geheime berichten of sloten.
  3. Introduceer de woorden coderen en decoderen in eenvoudige taal.
  4. Leg uit dat ze vandaag leren hoe ze woorden kunnen verbergen en onthullen met een code.

Doel in de woorden van de leerling

  •  “Maak een geheime code-tool en gebruik die om woorden te verstoppen en te lezen.”
ACTIVITEIT

35-45 minuten

Opstelling

  1. Leg uit dat je letters kunt verschuiven om geheime berichten te maken.
  2. Teken het alfabet op het bord en laat een eenvoudige letterverschuiving zien, bijvoorbeeld A wordt D.

Voordoen

  1. Laat zien hoe je een kort woord codeert met een letterverschuiving.
  2. Laat zien hoe je hetzelfde woord weer terug naar het origineel decodeert.
  3. Introduceer het cijferwiel en laat zien hoe het draaien ervan de uitkomstletters verandert.
  4. Leg uit dat het aantal stappen waarmee het wiel wordt gedraaid het resultaat verandert.

Uitvoeren

Deel 1 – Cijferwiel knutselen

  1. Leerlingen knippen de binnenste en buitenste alfabetcirkels uit.
  2. Leerlingen plaatsen de kleinere cirkel bovenop de grotere.
  3. Leerlingen maken de cirkels vast met een punaise zodat het wiel vrij kan draaien.
  4. Leerlingen testen het wiel door verschillende letters op elkaar af te stemmen.

Controlepunt

  1. Vraag de leerlingen om samen als klas één woord te ontcijferen.
  2. Controleer of leerlingen begrijpen dat het veranderen van het wiel het resultaat verandert.

Deel 2 – Oefenen met coderen en decoderen

  1. Leerlingen gebruiken hun cijferwiel om woorden op het werkblad te ontcijferen.
  2. Leerlingen coderen opgegeven My First Bitcoin-woorden met een gekozen letterverschuiving.
  3. Circuleren om leerlingen te ondersteunen en begrip te controleren.

Reflectie

  • Vraag de leerlingen wat er gebeurde toen ze de positie van het wiel veranderden.
  • Vraag of hetzelfde woord er altijd hetzelfde uitziet als de code verandert.
  • Vraag waarom iemand informatie op deze manier zou willen verbergen.
VERVOLG

2 minuten

  • Herhaal kernbegrippen: coderen, decoderen, code, boodschap.
AFSLUITEN
  • Verzamel scharen en materialen.
  • Laat leerlingen hun cijferwiel houden.
  • Laatste boodschap aan de leerlingen: “Als je de code verandert, verandert het bericht, maar de betekenis blijft hetzelfde.”

NOTITIES

Klasmanagement
  • Houd toezicht op het gebruik van scharen en punaises.
  • Moedig geduld aan tijdens het knutselen.
Uitbreidingen & extra activiteiten
  • Getimede decodeeruitdaging met nieuwe gecodeerde woorden.
  • Speel een decodeerspel zoals cijfer-galgje waarbij het gecodeerde woord op het bord staat.
Differentiatie
  • Jongere leerlingen: kortere woorden en vaste letterverschuiving, gebruik geen My First Bitcoin-woorden
  • Oudere leerlingen: kies en noteer hun eigen letterverschuiving voor anderen om op te lossen.
  • NT2/Toegankelijkheid: visuele alfabetkaarten en ondersteuning door medeleerlingen.
  • Veiligheid: stompe scharen en gecontroleerd gebruik van punaises.

Bijlagen

4.4 Nostr

Activiteitstype Simulatiespel – Coderen met knutselwerk – Competitieve uitdaging

Duur 50-60 minuten

Groepering Kleine teams van drie leerlingen

Beschrijving

Voortbouwend op eerdere activiteiten over vertrouwen, het doorgeven van berichten en onderschepping, vergelijken leerlingen nu open informatieoverdracht met gecodeerde communicatie. De leerlingen ervaren eerst hoe het doorgeven van informatie vertrouwen in tussenpersonen vereist en hoe berichten kunnen worden afgeluisterd of aangepast. Vervolgens introduceren ze cijferwielen om berichten te beschermen, en ontdekken ze dat informatie privé kan blijven, zelfs als deze via onbetrouwbare of openbare kanalen wordt doorgegeven.

Vereiste voorkennis

  • 4.2 - Telefoonspel
  • 4.3 - Cypherpunks Write Code
Leerdoelen

Aan het einde van deze activiteit kunnen leerlingen:

  • Herhalen hoe informatieoverdracht vertrouwen in tussenpersonen vereist
  • Herkennen hoe berichten kunnen uitlekken of veranderen wanneer ze openlijk worden verzonden;
  • Begrijpen dat codering informatie beschermt, zelfs als tussenpersonen niet te vertrouwen zijn
  • Met succes woorden en begrippen coderen en decoderen met behulp van een cijferwiel.
Materialen
  • Voorbereide woord- of zinkaarten voor verzending
  • Cijferwiel-sjablonen voor elke leerling (Zie Bijlage A)
  • Werkbladen of blanco papier voor transcriptie
  • Potloden of stiften
  • Handig om te hebben: Voorbeeld van eenvoudige en complexe berichten (Zie Bijlage B)
Benodigdheden
  • Schaar
  • Splitpennen of paperfasteners voor cijferwielen
  • Open klasruimte om te bewegen
  • Handig om te hebben: Timer

PROCEDURE

OPENING 
  1. Zet het lokaal klaar met twee tafels per team, ver uit elkaar om afstand te creëren.
  2. Leg open berichtkaarten op elke zenderstafel.
  3. Bereid de materialen voor het cijferwiel voor, maar houd deze verborgen tot Fase 2.
VOORAFGAANDE ACTIVITEIT

5 minuten

  1. Vraag de leerlingen om de vorige activiteit te herinneren, waarbij berichten werden gefluisterd of doorgegeven.
  2. Vraag welke problemen ze merkten met vertrouwen, fouten of afluisteren.
  3. Herinner de leerlingen eraan dat ze de vorige keer berichten niet privé konden houden.
  4. Leg uit dat ze vandaag gaan testen of dat probleem opgelost kan worden.

Doel in de woorden van de leerling

  •  “Vind een betere manier om berichten te versturen zonder dat iedereen vertrouwd hoeft te worden.”
ACTIVITEIT

40–45 minuten

Voorbereiding

  1. Verdeel de leerlingen in teams van drie.
  2. Wijs rollen toe: Speler 1 is de Zender, Speler 2 is de Loper, Speler 3 is de Ontvanger.
  3. Leg uit dat de rollen gedurende de hele activiteit hetzelfde blijven.

Voorbeeld

  1. Demonstreer een korte ronde van het rennend dictee met een open boodschap.
  2. Wijs erop dat de loper het bericht exact moet onthouden en herhalen.
  3. Herinner de leerlingen eraan dat iedereen in de buurt het bericht kan afluisteren.

Fase 1 – Open Overdracht (Vertrouwen Nodig)

  1. Speler 1 leest stilletjes het bericht aan de zenderstafel.
  2. Speler 1 leest het bericht zachtjes voor aan Speler 2 bij de zenderstafel.
  3. Speler 2 rent naar Speler 3 en geeft het bericht mondeling door.
  4. Speler 3 schrijft op wat hij of zij hoort.
  5. Speler 2 mag zo vaak heen en weer rennen als nodig is.
  6. Het eerste team dat het bericht succesvol overdraagt, wint.

Tussenbespreking

  • Vraag of het uiteindelijke bericht overeenkwam met het origineel.
  • Vraag of lopers berichten van andere teams hebben opgevangen.
  • Vraag of de loper de macht had om het bericht te veranderen.
  • Benadruk dat het systeem alleen werkte als de loper te vertrouwen was.

Fase 2 – Gecodeerde Overdracht (Minder Vertrouwen Nodig)

  1. Deel materialen voor de cijferwielen uit en laat de leerlingen deze in elkaar zetten.
  2. Zender en Ontvanger spreken privé een letterverschuiving af met behulp van het wiel.
  3. Speler 1 codeert een nieuw bericht met het afgesproken cijfer.
  4. Speler 2 geeft alleen het gecodeerde bericht door zonder de betekenis te kennen.
  5. Speler 3 schrijft het bericht op en decodeert het met het cijferwiel.

Wedstrijdregels

  • Teams verdienen punten voor correcte ontcijfering.
  • Snelheid en nauwkeurigheid zijn allebei belangrijk.
  • Lopers mogen de code niet leren.

Reflectie

  1. Vraag wat er veranderde tussen open en gecodeerde overdracht.
  2. Vraag of vertrouwen in de loper nog steeds nodig was.
  3. Vraag wie in elke fase toegang tot het bericht had.
VERDIEPING

5-10 minuten

  1. Herhaal dat eerdere activiteiten lieten zien hoe berichten onderschept of veranderd kunnen worden.
  2. Herhaal dat coderen ervoor zorgt dat berichten veilig door openbare ruimtes kunnen reizen.
  3. Verbind dit met het idee dat je kunt kiezen welke informatie openbaar of privé is.
AFSLUITING

5 minuten

  1. Verzamel gedeelde materialen en zet het lokaal weer klaar.
  2. Laat de leerlingen hun cijferwiel houden.
  3. Laatste boodschap aan de leerlingen: “Je hoeft niet iedereen te vertrouwen als je bericht beschermd is.”

NOTITIES

Klasmanagement
  • Oudere leerlingen mogen hun rol in het estafettespel kiezen
  • Beheer de looproutes en laat indien nodig wandelen afdwingen.
  • Benadruk dat fouten verwacht worden en bij het leren horen.
Uitbreidingen & Opvulactiviteiten
  • Draai de rollen om en herhaal met een nieuw cijfer.
  • Verleng het bericht of voeg misleidende berichten toe.
Differentiatie
  • Jongere leerlingen: losse woorden en een vaste letterverschuiving.
  • NT2/Toegankelijkheid: alfabetkaarten en een rustiger tempo.
  • Veiligheid: duidelijke bewegingsregels en toezicht bij het gebruik van hulpmiddelen.

Bijlagen

↑ Terug naar inhoudsopgave